Zeven

Wanneer de papierpulp gereed is voor gebruik wordt deze gelijkmatig gespoten op een met hoge snelheid (over rollen) draaiende zeef. Deze procesfase heet de stofoploop. Hierin wordt gezorgd voor de ontknoping van de vezels. Dat wil zeggen dat de vezels niet meer in elkaar haken. Voor het uiteindelijke resultaat is het van groot belang dat de verdeling van de vezelbrij over de zeef egaal is. Water speelt in deze fase een belangrijke rol. Op het moment dat de pulp op de zeef wordt gespoten is deze vermengd met water in een verhouding van 1% papiervezel tegenover 99% water.

Het is de bedoeling dat dit water snel wegloopt. De ronddraaiende zeef (die ook wel gaas of doek wordt genoemd) oefent twee functies uit. Allereerst moeten zoveel mogelijk vezels worden vastgehouden (retentie) om daaruit papier te vormen. Daarnaast dient het water op zo’n manier te worden verwijderd dat er een mooi papieroppervlak ontstaat. Deze fase van het productieproces wordt bladvorming genoemd.

Het proces van ontwatering bestaat uit meerdere zeven en heet ook wel de zeefpartij. De ontwatering wordt versneld door zwaartekracht (bovendruk) en vacuüm zuigbakken onder de zeef (onderdruk). Ook worden hulpstoffen in de vorm van Processtoffen gebruikt voor het versnellen van de ontwatering. Denk bijvoorbeeld aan een retentiemiddel. Dit verbetert de binding tussen de vezels onderling en versnelt de ontwatering. Met de binding van de vezels wordt het papier gevormd. De vezels worden aan elkaar gebonden met een waterstofbrug. Papier bevat uiteindelijk altijd een gedeelte water. Zonder water zou het papier uit elkaar vallen.

Het brede zeefdoek kan een lengte hebben van wel 40 meter. Op het snel voortbewegende zeefdoek gaan de meeste papiervezels in de richting van de beweging van het zeefdoek liggen. Zo ontstaat de looprichting van het papier. Aan het einde van de fase van bladvorming heeft het papier een ‘vaste stof gehalte’ van ongeveer 20%. Het grootste deel van het bij aanvang toegevoegde water is dan verwijderd.