Processtoffen

Tijdens het productieproces van papier en karton worden diverse hulpstoffen gebruikt. Er zijn twee hoofdcategorieën: productstoffen en processtoffen. Processtoffen beïnvloeden het productieproces. Processtoffen zijn mede van invloed op eigenschappen van papier. Voorbeelden van processtoffen zijn:

Antischuimmiddelen

Om ongewenste schuimvorming tijdens het productieproces te voorkomen worden antischuimmiddelen gebruikt. Dit gebeurt onder meer bij het zeven en bij het opbrengen van een coating.

Dispergeermiddelen

Tijdens het productieproces kunnen vezels samenklonteren. Dat heeft een negatieve invloed op de papierkwaliteit. Om het samenklonteren te voorkomen worden dispergeermiddelen gebruikt. Bij was- en ontinktingsprocessen zorgen deze middelen ervoor dat losgekomen inktdeeltjes zich niet weer aan de vezels of aan elkaar hechten.

Retentiemiddelen

Vulstoffen binden zich niet makkelijk aan een papiervezel. Voor de binding in het papier wordt een retentiemiddel gebruikt. Tijdens de ontwatering blijft de vulstof aan het papiervezeloppervlak vastzitten. De binding tussen de vezels onderling wordt verbeterd door het retentiemiddel. Het versnelt tevens de ontwatering van de vezelmassa in de papiermachine. Aluminiumsulfaat (‘papiermakersaluin’) is een voorbeeld van een retentiemiddel.

Fixeermiddelen

Fixeermiddelen verbeteren de hechting van hulpstoffen (met name kleurstoffen) aan de vezels.

Meer (informatie over) processtoffen: papierpraat.nl