Innovatie

In 1680 werd in Nederland een machine uitgevonden die het maken van papierbrij versnelde: de Hollander. De machine bestond uit een bak met een rad waar haaks messen op gemonteerd waren. De pulp stroomde tussen de messen en de bodem door. Hierdoor werden de vezels in de stof gerafeld, verkleind en gemalen. Hoe fijner de vezelbrij, hoe gladder het papier. De papiermaker dompelde zijn schepraam, een houten raamwerk met een bodem van fijn gaas, onder in de kuip met vezelbrij. Hij schepte vezels in het raam en liet het vocht weglopen. Vervolgens werd het dunne en nog zeer natte vezellaagje op een stuk vilt gelegd. Nat papier en vilt om en om. Een stapel met natte vellen papier werd daarna geperst om de rest van het water te verwijderen. Tot slot werden de vellen opgehangen om te drogen.

De Hollander zorgde voor een aanzienlijke verbetering van het maalproces van de vezel. Hierdoor konden niet alleen meer lompen als grondstof worden gebruikt, maar ook touw en vissersnetten. De beschikbaarheid van grondstoffen werd zo vergroot. In het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem bevindt zich een (water)papiermolen waar handgeschept papier wordt gemaakt evenals in Loenen: De Middelste Molen. De Schoolmeester te Westzaan is de enig overgebleven windmolen ter wereld die nog dagelijks papier maakt.

Katoen en linnen waren in de tijd van de Hollander de grondstoffen voor papier. De voddenman kocht in dorpen en steden lompen op en verkocht ze aan de papiermolen. De lompen werden in smalle stroken gesneden en in een kuip met water gedaan en gestampt tot losse vezels. Die vezels vermengden zich met water tot een papierbrij.